Lijfrentecalculator

De lijfrente is de Nederlandse variant van individueel pensioensparen met belastingvoordeel: aftrek bij inleg, belasting bij uitkering. De vraag is niet of het voordeel bestaat, maar hoeveel ruimte je hebt — en die staat op je eigen aanslag.

Uw gegevens

€
€
%
%
%

Uw resultaat

Saldo aan het eind—
Wat u na belasting overhoudt—
Belasting bij opname—
Totaal ingelegd—
Beleggingsgroei—
Onderweg ingehouden belasting—
Formule
De inleg is aftrekbaar in box 1 binnen de jaarruimte. De latere uitkering wordt belast als inkomen.

Jaarruimte bepaalt alles

Je mag alleen aftrekken wat binnen je jaarruimte valt: de fiscale ruimte die overblijft omdat je via je werkgever te weinig pensioen opbouwt. Wie een goede pensioenregeling heeft, houdt weinig ruimte over; wie zelfstandig is of bij een werkgever zonder regeling werkt, heeft er veel.

Met de Wet toekomst pensioenen is de jaarruimte fors verruimd — het percentage van de premiegrondslag ging flink omhoog. Voor zzp'ers is dat de belangrijkste verandering in jaren.

Daarnaast is er reserveringsruimte: onbenutte jaarruimte uit voorgaande jaren mag je alsnog gebruiken, binnen een terugkijktermijn van tien jaar. Wie nooit iets deed, kan dus in één keer een groot bedrag aftrekken — vaak precies in een jaar met een hoge winst.

Reken het niet zelf uit

De formule gebruikt de premiegrondslag: je inkomen minus de AOW-franchise, omdat over dat eerste deel al AOW wordt opgebouwd. Daarvan komt de factor A af, de pensioenaangroei via je werkgever, die op je Uniform Pensioenoverzicht staat.

De Belastingdienst heeft een rekenhulp die dit doet. Gebruik die, en bewaar de uitkomst — te veel aftrekken levert een correctie op, te weinig aftrekken kost je geld dat je niet terugkrijgt.

De aftrek is progressief, de uitkering meestal niet

Je trekt af tegen je toptarief. Zit je in de hoogste schijf, dan is de aftrek bijna de helft van de inleg waard. Na je AOW-leeftijd betaal je geen AOW-premie meer, waardoor het tarief in de eerste schijf een stuk lager ligt.

Dat verschil tussen aftrek nu en belasting later is de kern van het voordeel. Het valt weg als je in de hoogste schijf blijft, en het is groot als je nu hoog zit en straks laag.

Uit box 3, en dat telt

Dit wordt vaak vergeten en is misschien wel het grootste voordeel. Geld in een lijfrente valt niet in box 3. Je betaalt er dus geen jaarlijkse vermogensheffing over, terwijl spaargeld en beleggingen op een gewone rekening dat wel doen.

Bij een vermogen boven het heffingsvrije bedrag scheelt dat elk jaar geld, ongeacht of je rendement maakte. Over dertig jaar telt dat zwaar op.

Het geld zit vast

Een lijfrente moet worden uitgekeerd in termijnen, niet in één keer. Afkopen vóór de uitkeringsdatum betekent belasting over het hele bedrag plus revisierente van twintig procent. Er is een beperkte uitzondering bij langdurige arbeidsongeschiktheid en voor kleine lijfrentes.

Zet er dus geen geld in dat je voor een verbouwing of een aanloopjaar nodig kunt hebben.

Bank of verzekeraar

Een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsinstelling is doorgaans goedkoper en transparanter dan een verzekeringsproduct. Bij overlijden voor de einddatum valt het opgebouwde bedrag toe aan de erfgenamen, terwijl dat bij sommige verzekeringen anders geregeld is.

Let op de totale kosten, niet op het rendementsvoorbeeld. Een half procent extra kosten per jaar eet over dertig jaar een flink deel van de belastingwinst op.

Veelgestelde vragen

Hoeveel mag ik inleggen?

Alleen binnen je jaarruimte, gebaseerd op je premiegrondslag en factor A. Onbenutte ruimte uit tien voorgaande jaren mag je via de reserveringsruimte alsnog gebruiken.

Waarom is de jaarruimte verhoogd?

Door de Wet toekomst pensioenen is het percentage van de premiegrondslag flink verruimd, vooral gunstig voor zzp'ers en werknemers zonder goede regeling.

Telt een lijfrente mee in box 3?

Nee. Dat is een van de grootste voordelen: geen jaarlijkse vermogensheffing over het opgebouwde bedrag.

Kan ik het geld eerder opnemen?

Alleen tegen belasting over het volledige bedrag plus twintig procent revisierente. Er geldt een beperkte uitzondering bij langdurige arbeidsongeschiktheid.